Mijn denken

 
 

Mijn denken is heel goed verwoord door Prof. Dr. Jurjen Wiersma, die in ‘De Stem’ (Het tijdschrift van de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid in Brussel) een recensie schreef over mijn boek Weg van het midden.

Schram is een veelzijdig man; hij is musicus, pedagoog en theoloog. Tot zijn emeritaat was hij voorganger van een afdeling van de Vrijzinnigen in Nederland, de NPB (Nederlandse Protestantenbond). Wat polair denken betreft, noteert hij dat de werkelijkheid berust op twee tegengestelde polen; dit geldt ook voor de mens.

Een mens is niet alleen, niet solitair, maar staat altijd in relatie tot een ander, polair. Ik en de ander zijn aanvullend aan elkaar, niet concurrerend of hiërarchisch maar gelijkwaardig. Dit is een constante van het mens-zijn. De vraag die Schram opwerpt, is hoe deze polariteit in stand kan blijven.

Theologisch door de schepping – de mens is mannelijk en vrouwelijk, gelijkwaardig, geschapen – recht te doen. Filosofisch door het begrip ‘mondigheid’ te honoreren, want dat bevrijdt een mens van bevoogding en beklemming, mobiliseert hem of haar en waarborgt voortgang. Polair denken erkent het bestaan van tweeheid en is niet gelijk aan dualistisch of dialectisch denken. Dat is exclusief en aanvaardt niet dat naast een ja een nee staat, naast de vriend de vijand, naast het goede het kwade. De auteur onderbouwt zijn stellingname bijbels-theologisch (hfst. 2) en filosofisch (hfst. 3).

In hoofdstuk 4 werpt hij licht op polariteit rondom de keukentafel, waar regelmatig gesprekken worden gevoerd in de trant van ‘dat heb ik ook wel eens meegemaakt’. Schram laat aan dit alledaagse zinnetje zien dat dit geen vorm van polair denken is; dit wordt er juist door opgeheven. Mijn ervaring is niet gelijk aan die van de ander. Tweeheid mag niet worden afgezwakt of verdwijnen, maar moet worden gehandhaafd. Socrates maakte zich daar al sterk voor. Reden dat tegenwoordig het socratische gesprek in bepaalde kringen gretig wordt gevoerd.

Schram verdenkt iemand als Levinas ervan dat hij, hoewel hij het tegendeel laat uitschijnen, geen polair denker was. Asymmetrie is bij hem soms zo schrijnend dat polariteit zoek is. Zelfopoffering en passiviteit leiden meestal tot zelfverloochening, ontkenning van het zelf – de polariteit wordt daarmee niet in stand gehouden, en dat is nu juist in het geding in dit boek. Wegcijferen is nergens goed voor. Vandaar dat Harry Schram pleit voor ‘weg van het midden’, de prikkelende titel van een intrigerend boek, geschreven door een irenisch mens.

 
 

Harry Schram

Mijn denken, een vervolg

Ik wil ‘mijn’ polair denken nog wat aanscherpen. Omdat het bij polair denken niet alleen gaat om twee tegenstellingen/tegengestelde personen of zaken, twee polen, maar vooral om de keuze van de plaats die de een heeft ten opzichte van de ander.
Eerst ga ik nog even terug naar de basis van mijn denken dat ik voor het eerst tegenkwam in het Genesis-verhaal, de scheppingsmythe, of –sage, dus vanuit het joodse denken. Later kwam daar het denken van de filosofen Buber en Schmid nog bij. Maar ook het denken van de Franse filosoof Levinas die ik voor het eerst heb leren kennen tijdens de studie Andragologie van dr. Okko Warmenhoven (1970!).

Kort geleden nam ik deel aan een weekend over Joodse filosofie in Leusden. Daar kwam het proefschrift van Miskotte aan de orde. Gelukkig had ik dat boek in mijn bibliotheekje staan. Miskotte wijst in zijn boek op Max Brod, wiens boek ik ook in mijn bezit heb. Brod schrijft daar in Aus der Fülle der Auslegungen sei hier eine für uns wichtige hervorgehoben. Am zweiten Tage schafft Gott die Dehnung, (scheiding) die scheiden soll zwischen Wassern und Wassern. Zum erstenmal tritt die Dualität in die Welt ein. Scheiding is een heel beslissend woord, dat door een ander woord vervangen kan worden dan dat ene woordje ‘und’. Van Het speelt een cruciale rol, zoals zijn voorbeelden aangeven: goed en kwaad, goed leed en boos leed, onafwendbaar- en afwendbaar ongeluk.
Hij geeft hij daarmee aan dat er naast het ene altijd het andere aanwezig is, want ‘wie aber stellen wenn nun die verwirrende Tatsche erscheint, dass jede zwei Haltungen zugleich die ihr entgegengesetzte erfordert, dass jede von ihnen sinnlos wird, wenn sie unvermischt auftritt’. Door het woordje en worden beide polen uit elkaar getrokken, sluiten zij elkaar uit, terwijl ze op elkaar zijn aangewezen, ja, sterk naar elkaar verlangen, alsof ze elkaar nodig hebben. Elke pool kruipt in elkaar als die met zichzelf bezig is, maar niet als die zich met de andere pool bezig houdt. Hij kan zonder de ander, zonder zichzelf op te geven.
Daarmee wordt duidelijk dat de één niet zonder kan.
Als dat denken wordt overgezet naar de antropologie, dan gaat het over een ik en een jij. Tussen beiden is een scheiding (‘en’), zoals die ook was aangebracht tussen de wateren (zie hierboven bij Brod), maar ook elders in het verhaal: duisternis en licht, water en land, enz..
In onze tijd wordt er veel gesproken over mijn groep, mijn ego, mijn persoonlijk gevoel, enz.. De ander wordt als een vreemde, in populistische zin als ‘vijand’ of als ‘tegenstander’, omschreven, voor wie je moet oppassen, omdat hij/zij niet te vertrouwen is. Daardoor ontstaat een angstcultuur. Maar angst heeft te maken met bang- zijn-voor ….. iets of iemand.
Waar komt dergelijk denken vandaan? Het is het populisme dat ons bang wil maken voor die vreemde ander, voor het vreemde andere, kort gezegd, voor het onbekende. Men grijpt terug op ‘ons’ verleden, terwijl velen geen kennis hebben van dat verleden. Men wordt gewezen op de negatieve aspecten ervan. Maar het verleden is, evenals het heden en zeker ook de toekomst, een polair gegeven. We kunnen ons niet beperken tot een van de twee aspecten van een verleden, heden of toekomst. Het verleden is door polaire mensen ‘gemaakt’ en heeft daardoor zijn positieve én negatieve kanten. Alleen is het vaak voorgekomen dat in het verleden het evenwicht van de polariteit heeft ontbroken. Bepaalde krachten hebben de overhand genomen en zaken kapot gemaakt, maar aan de andere kant ook dingen heel goed gemaakt. Alleen, wij zien graag de negatieve aspecten van het verleden en niet de positieve. Oorlogen, slavenhandel, kolonialisme, het zijn aspecten waarmee een aantal mensen genoegdoening zoeken. Maar wij kunnen de geschiedenis niet afkopen, maar haar bekijken vanuit polair denken. Er zijn toen fouten gemaakt, maar die zijn niet terug te draaien. Fouten worden gemaakt, en als ze bewust gemaakt worden, dan heeft men de polariteit uit het evenwicht gebracht. Dat moet je gaan evalueren, en dan ma je verantwoordelijkheid eisen. Maar dat geldt niet voor het verleden, omdat de verantwoordelijken er niet meer zijn. En plaatsvervangende verantwoordelijkheid bestaat niet. Je kunt verantwoordelijkheid uit het verleden niet overhevelen naar het nu. Daarom kan er geen sprake zijn van mede-verant-woordelijkheid. Verantwoordelijkheid is verbonden aan één persoon, aan een ik of een aan een jij, en niet bij beiden tegelijkertijd.
Die ik en jij, als twee tegengestelde personen, zijn op elkaar aangewezen. Maar dat is het begin, maar een gaat bij polair denken om veel meer dingen, omdat het voortbestaan van beide polen inhoudt dat het daarbij om het voortbestaan gaat van de mensheid, om het voorbestaan van onze planeet. Polair denken is een begin van een veel groter geheel.
Met het in standhouden van dat ene woordje én begint de zoektocht naar het evenwicht in de wereld: het leven met goed én kwaad, het leven met jou én met mij. De vraag daarbij is:
bij wie ligt het accent van dat woordje ‘en’? Zij kan maar bij een van de twee liggen. Je kunt niet tegelijkertijd goed én kwaad doen, je kunt niet tegelijkertijd jij én ik zijn. Jij én ik zijn en blijven twee zelfstandige personen. Zij spreken niet tegelijk, want dan wordt er niet tot iemand gesproken en wordt er ook naar niemand geluisterd. Spreken en luisteren zijn polaire activiteiten.
Hier is dan weer de vraag: wie of wat komt op de eerste plaats?
Hoewel Gadamer ervan uitgaat dat spreken een vorm van communicatie is, wil ik communicatie meteen willen uitbreiden met luisteren. Alleen spreken is op zich niets, omdat er niet naar geluisterd wordt. Spreken krijgt pas betekenis als er ook geluisterd wordt. Maar, er kan pas van luisteren sprake zijn als er ook iets te beluisteren valt. Vandaar dat spreken op de eerste plaats komt. Pas daarna kan er geluisterd worden.
Spreken is aan de ander die zich richt tot mij richt met een vraag. De ander staat dus centraal in onze relatie. Ik ben er al, dus ben ik in staat om te luisteren naar wat de ander tot mij wil vragen, wil zegen.
Van hieruit neem ik twee stellingen als uitgangspunt:

  1. Een ik op zich bestaat niet, ik besta dankzij het bestaan van de ander.
  2. Het leven begint met een vraag, die door de ander wordt gesteld.

De ander heeft dus een heel centrale plaats, ondanks het feit dat er vaak gezegd wordt dat de mens – misschien wel van nature – een egocentrisch wezen is, dat teveel op zichzelf gericht is, en dus met zich zelf bezig is. Het is de vraag of dat zo is. Er wordt dan gesproken van de menselijke levens- of overlevingsdrang. Die levensdrang zou ik eerder een bevestigingsdrang noemen. Als iemand bevestigd wordt in zijn bestaan, dan heeft hij niet de behoefte om zich ten koste van de ander te bewijzen, wat een vorm van levensdrang is. Het is  dan niet nodig om macht te gebruiken, uit te oefenen. Men kan het af met gezag, wat erkenning in wezen is.
In de relatie ik en jij gaat het juist om de erkenning van de ander in wezen is, ook al zijn wij het beiden niet met elkaar eens. Erkenning dat de ander anders denkt dan ik, is de basis voor polair handelen. Waarom de gedachten van de ander ontkennen. Voel ik mij tekort gedaan in mijn eigen denken? Ik ken toch mijn eigen denken en de daarbij behorende gedachten. Alleen zijn zij niet zaligmakend (hoewel ik dat misschien wel stiekem denk??!!). In mijn relatie met de ander hoef ik niet aan mijn bestaan en aan mijn denken te twijfelen. Die kennis, ik noem het niet zekerheid, hoewel?, heb ik: ik ben ik. Alleen als ik mij in de arm knijp, stel ik mijn lichamelijk bestaan vast. Ik ervaar mij lichamelijk, maar heb daarmee nog niet aangegeven wie ik ben. Ook niet hoe ik tegenover een ander sta, hoe ik bijvoorbeeld wordt ervaren. Ik weet eigenlijk niet hoe ik – geestelijk gesproken – overkom. Wel hoe ik mijn gedachten formuleer. Alleen, en dat is het nadeel van het bestaan van de ander, die brengt mijn twijfels in kaart en maakt van mijn denken relatief denken. Alleen, dat vind ik niet zo prettig, dat heb ik niet graag?!?
Toch maakt de ander mij duidelijk hoe ik bijvoorbeeld overkom in een ontmoeting, in een relatie. Hoe ik bijvoorbeeld mijn gedachten kenbaar maak, maar ook hoe mijn gedrag wordt ervaren in gezelschap. Kortom, de ander maakt mij bewust van wie ik eigenlijk ben en ook hoe ik denk. Vandaar dat een-ik-op-zich niet bestaat. Het ik kan zichzelf niet de grondslagen van zijn ik-zijn eigen maken. Daarvoor is de ander nodig die dan vaak gezien wordt als mijn tegenpool.  Ook tegengestelde menselijk polen kunnen een heftige strijd voeren, die echter niet mag leiden tot objectivering of stigmatisering van een van beide personen. In dat geval wordt de polariteit opgeheven, omdat de menselijke waardigheid dan in het geding is. Er is geen sprake meer van erkenning, of te wel geen ‘concentratie op de kwaliteit van het menselijk bestaan’. Kwaliteit houdt in dat de ander een subject is en blijft, en nooit tot object mag worden gemaakt, hoe slecht een relatie ook is. Blijft, ik ben ik en jij bent jij en dat moet zo blijven.

In de filosofie heb ik het polaire alleen bij Buber gevonden die er van uit gaat dat de mens een sociaal wezen is, dat steeds op zoek is naar contact, naar een ander, een medemens. Het werkelijke leven is ontmoeting, waarin het grondwoord Ik - Jij centraal staat. Het Ik is geen hoofdzaak, het gaat om een relatie. De relatie 'kan slechts bestaan als een Ik (…) geïnteresseerd is in een Jij of als een Ik (…) gegrepen is door een Het'. Het Ik kan niet worden losgemaakt van de ander, die een jij vertegenwoordigt. Buber zegt letterlijk, 'ich werde am Du, Ich werdend spreche ich Du',   waarmee hij aangeeft, dat er in wezen geen 'Ich-an-sich' kan bestaan dan alleen wanneer het ik-zijn bestaat in de combinatie Ik-Jij.
Daarmee houdt hij vast aan de autonomie van elk mens. De mens die ‘nee’ kan zeggen op het moment dat hij ervaart/voelt dat hij tot een object wordt verlaagd. Door dan ‘nee’ te zeggen handelt de mens autonoom, dat, vanuit polair denken, ethisch handelen is. Ethisch, omdat er een keuze wordt gemaakt voor het subject-zijn, voor mens-zijn, en daarin voor de kwaliteit van het menselijk bestaan. Die ethische keuze is gebaseerd op het in standhouden van de polariteit, van de tweeheid jij en ik. Dat is een andere wijze van denken, omdenken, omdat ik van de ander uitga en niet vanuit mijzelf. Ik ben al iemand, maar zonder die ander ben ik niemand. Jij en ik als autonoom en pluriform handelende personen:

Ik ben ik.
Jij bent jij.
Ik ben door jou.

In het laatste zinnetje ligt de kerngedachte van polair denken: ik ben er door jou. Het is dus niet zo, zoals er vaak gedacht wordt, dat de ander er voor mij is. Het is juist omgekeerd: vanwege mijn afhankelijkheid ben ik er voor de ander. Zonder die ander ben ik niemand. Jij en ik behoren als polaire tegengestelden van de wereld. In die tegenstelling blijf ik ‘worstelen’ met de vraag: wie ben ik eigenlijk? Dat is misschien wel mijn grootste probleem, omdat ik weet dat ik daar zelf niet uit kan komen. En toch weet ik dat ik besta. Dat ervaar ik, dat zie ik, dat doe ik. En toch ben ik dat niet helemaal. Ik stel mij voor, heb er gedachten over, hoe ik ben als ik bij een ander ben. Ik ben mij alleen bewust dat ik een autonoom wezen ben, en tegelijkertijd weet ik mij afhankelijk, omdat jij er bent. Ik ervaar dat jij en ik niet identiek aan elkaar zijn. Door dat verschil word ik mij bewust van mijzelf. Door jouw aanwezigheid word ik met mijzelf geconfronteerd. Je merkt dit het duidelijkst als je iets heel persoonlijks laat zien of horen. Een voorbeeld: laat iemand iets zien dat je getekend hebt, of zing een lied voor iemand, of speel een muziekstuk voor iemand. Onze eerste reactie is ‘nee!’. Waarom niet, omdat we daarin onze kwetsbaarheid laten zien en dat willen we niet graag. En toch is dat heel goed, de ander zal het waarderen. Je hoort toch vaak: dat jij dat durft! Dat is een reactie waarin het anders-zijn van beide personen aan de orde wordt gesteld. Op dat moment besef ik dat ik er ben door jou. Dat is niet een mogen zijn, want dan is er geen sprake meer van polariteit. Jouw reactie, die overigens veel zegt over degene die die geeft, houdt een erkenning in van mijn-ik-zijn.
Natuurlijk geeft het mij, als ik alleen een lied zing, alleen piano speel of een tekening maak, een goed gevoel. Maar pianospelen doe ik niet alleen voor mijzelf, ik studeer ook om de muziek te laten horen, hoewel dat vaak wordt ontkend. Waarom dan? Toch niet vanwege de ‘fouten’ de ik speel als er een ander bij zit? Het gaat niet om de fouten, maar om het spel, hoe eenvoudig dat ook is. Op muziekavonden van onze muziekschool kan ik genieten van een leerling die nog maar een maand les heeft gehad en toch speelt. Of voor die volwassene die zingt voor een groep luisteraars. Dan word je je bewust van jezelf, omdat er anderen aanwezig zijn.
Dat word je niet door in je arm te knijpen, waardoor ik mijn lichamelijk bestaan vaststel. Ik ervaar mij lichamelijk maar heb daarmee nog niet aangegeven wie ik in wezen ben. Misschien moet ik mijzelf niet voor de gek houden en zeggen, eigenlijk weet ik niet wie ik ben, omdat ik niet weet hoe ik bij de ander overkom. Hoe ik mij sociaal gedraag met betrekking tot mijn omgeving. Dat ’inzicht’ in mijzelf krijg ik door mijn ontmoetingen met anderen, door mij voor die ander kwetsbaar te ‘durven’ zijn. ‘Ik ben door jou’ is het uitgangspunt voor polair denken en dan dus niet ‘ik denk, dus besta ik’.   
Je kunt het ook anders stellen: Het bestaan van mijn ik-zijn ligt niet bij mijzelf, maar in de afhankelijkheid van de ander. Daarin krijgt de ander een centrale plaats toebedeeld, maar ook zijn jij en ik – als polaire wezens – niet meer los van elkaar te denken; jij en ik zijn voor altijd aan elkaar verbonden, en niet gebonden, wie die ander ook is. In die verbondenheid houden wij beiden niet alleen de polariteit, maar ook deze wereld in stand.

In die tweeheid van jij en ik, polariteit, spreek jij mij aan en laat mij ‘ontdekken’ wie ik ben. Jij komt immers tot mij met een vraag. Met die vraag laat jij mij de wereld zien. Door jouw vraag kijk ik op een andere manier naar de wereld, maar ook naar jou. Ondanks het feit dat jij een vreemde voor mij bent, roept jouw vraag toch mijn nieuwsgierigheid op. Vandaar dat ik luister. Niet om die vraag te beantwoorden, maar omdat zij mij nieuwe kanten laat ontdekken. Ich werde nicht alleine am Du, maar ik leer ook aan en van jou.

Dat leren heeft te maken met mijn nieuwsgierigheid. Alleen dat is nog maar de ene kant van de medaille. De andere kant betekent ook mijn angst (voor het vreemde/de vreemde ander). Er is steeds weer die polariteit: wil ik dit wel, durf ik dit wel, kan ik dit wel? En toch kan ik niet anders dan op je vraag ingaan. Ik wil je begrijpen, maar weet ook dat ik door die vraag iets van je kan leren. Jouw vraag raakt iets in mij, raakt mij in mijn bestaan. Want de angst die jij door jouw vraag bij mij teweeg brengt, maakt plaats voor nieuwsgierig-zijn: ik ben in staat te luisteren naar wat jij mij te vragen hebt. In wezen zeg je me door jouw vraag: ik erken door mijn vraag dat jij jij bent en ik ik. Anders stelde je me die vraag niet. Door het stellen van een vraag maakt je je kwetsbaar, omdat je iets dat je niet, of waar je mee zit, met mij wilt delen. Je doet dat in vraagvorm.
Je verwacht van mij niet dat ik een antwoord geef op jouw vraag. Want het gaat niet om het antwoord, het gaat om ons gezamenlijke zoeken, naar de vraagstelling. Wij gaan samen aan het werk met jouw vraag. Jouw vraag wordt daardoor mijn vraag. Alleen ik kan daarop niet mijn antwoord geven, want daar vraag je niet om. Bovendien is mijn antwoord niet jouw antwoord. Dat moet voor mij duidelijk zijn, want ik ben ik en niet jij. Ik kan alleen maar met jou meedenken.
Polair gezegd, spreek jij mij aan, zet jij mij aan tot luisteren. Jij duidt mij er op dat ik niet alleen ben en maakt mij bewust dat er naast mij altijd een jij aanwezig is, als mijn ‘Gegenüber’. Jij, mijn Gegenüber, bent voor mij als een spiegel, waarin ik mij zie, maar niet herken, maar die mij zegt wie ik ben.
Op buberiaanse wijze wordt dit prachtig verwoord:

Waarheen ik ook ga - jij!
Waar ik ook sta - jij!
Alleen maar jij, en weer jij!
en altijd jij!

Jij ! jij ! jij !

Als het mij goed gaat - jij!
Als het mij pijn doet - jij!
Alleen maar jij en nog eens jij
en altijd jij!

Jij ! Jij ! Jij !

Hemel-Jij; aarde-jij;
Boven - jij; beneden - jij;
Waarheen ik mij ook wend,
aan ieder eind
alleen maar jij en nog eens jij
en altijd jij!

Jij ! jij ! jij !


In deze samenvatting is op geen enkele manier sprake van het verheffen van een jij of een tekort doen aan een ik. Vanuit een ik wordt beider autonomie genoemd. Ik blijf bestaan, het accent wordt gelegd op die ander als deel van de polariteit. Mijn autonomie wordt niet beperkt door de ander. Dat zou wel gebeuren als er sprake zou zijn van verwachtingen, maar daarover spreekt Buber niet. Verwachtingen beperken iemands vrijheid, omdat geen van ons beiden daaraan kan voldoen. Door verwachtingen wordt de polariteit opgeheven. Er moet aan iets worden voldaan dat een ander mij oplegt, of zoals de ander mij wil zien. Maar dat kan ik niet, daaraan kan ik niet voldoen. Verwachtingen houden ook in dat ik ergens moet terechtkomen, een doel moet bereiken dat niet door mij is vastgesteld. Een opgelegd doel kan niet worden bereikt. Bovendien gaat het in een relatie jij – ik niet om een doel. Het gaat om de relatie, om de ontmoeting zelf. Er kan wel van een richting worden gesproken, maar die kan alleen open zijn, omdat een richting wordt ingevuld door jou en mij samen. Anders heffen wij de polariteit op. Dat is niet mogelijk want dan wordt dan wordt de basis van ons bestaan, van ons er-zijn, weggehaald. De grens van de polariteit wordt dan overschreden, namelijk daar waar de ander als ander niet langer wordt gekend en erkend in zijn anders-zijn. Hij wordt een bepaalde richting in geduwd en dat past niet bij dit denken. Vanuit het polaire moet ik accepteren dat ik de ander nodig heb, dat ik niet zonder de ander kan bestaan. Zo wordt het vaak niet gezien.
Die afhankelijkheid betekent niet de ontkenning van mij, maar is juist de erkenning dat ik mij niet los kan maken van jou. De ander heeft de centrale plaats. Het ik ook, zij het op een andere plaats, die van de afhankelijke. Niet dat ik mij afhankelijk moet gaan voelen als ik de ander ontmoet. Het is een gegeven en geen toe-eigenen. Het is het uitgangspunt: jij en ik, als polariteit, zijn op elkaar aangewezen en daarom niet los van elkaar te zien.


    Waarheen ik ook ga - jij!
Waar ik ook sta - jij!
Want Ik ben door jou.

 

K. H. Miskotte, Het wezen der Joodsche religie, Amsterdam, Paris 1933.

Max Brod, Heidentum, Christentum, Judentum, Kurt Wolff Verlag München 1921,

Heidentum, Christentum, Judentum, 64 (weergegeven uit Sanhedrin 99b).

Een onderscheiding die Brod nergens in de religieuse wereldliteratuur duidelijk vindt dan in de Tal-
  mud. (in Het wezen der Joodsche religie, 71).

Heidentum, Christentum, Judentum, 174.

Heidentum, Christentum, Judentum, 177.

Heidentum, Christentum, Judentum, 179.

   Sonny Hof, Ontmaskering van het kwaad, in Karel Deurloo en Alle Hoekema (red) Van masker tot aange-
     zicht, Baarn Ten Have, 1997, 111.

    Emmanuel Levinas, Noms Propres, Montpellier, Fata Morgana 1976, 33.

  Das dialogische Prinzip, Heidelberg, Lambert Schneider 1984,15.

  Pluraliteit in de conditie van het menselijk handelen omdat wij allen eender, dat wil zeggen menselijk, zijn in
     die zin, dat niemand ooit gelijk is aan iemand anders die ooit heeft geleefd, leeft, of zal leven. (Hannah
      Arendt, Vita Activa, Amsterdam Boom,1994, 20).

  Handelen, de enige activiteit die zich rechtstreeks, en niet via dingen of  materie, tussen mensen voltrekt,
      correspondeert met de menselijke conditie van de pluraliteit, met het feit dat op aarde geleefd en de wereld
      bewoond wordt door mensen, niet door de Mens. (Vita Activa, 19)

  Maar er is nog iets: we zijn niet slechts wetenschappers; we zijn ook mensen. We kunnen onze afhankelijk-
     heid van onze medemensen niet vergeten. Ik bedoel niet alleen onze materiële afhankelijkheid, zonder welke
     geen enkele wetenschap mogelijk zou zijn en zonder welke we niet zouden kunnen werken; ik bedoel ook on-
     ze diepgaande morele afhankelijkheid, omdat de waarde van de wetenschap moet liggen bij de mensheid,
     waar al onze wortels liggen. Dit zijn de sterkste banden in de wereld, sterker zelfs dan de banden die ons te-
     zamen houden, dit zijn de belangrijkste banden, die ons verbinden met onze medemensen.  (J. Robert Oppen-
     heimer in zijn afscheidsrede als directeur van het laboratorium in Los Alamos in New Mexico, op 2 november
     1945).

Heidentum, Christentum, Judentum, 178.

Heidentum, Christentum, Judentum, 179.

 

 

 
Contact