Voorganger

 
 

Na mijn onderwijsloopbaan heb ik een hbo-studie theologie gedaan. Daarnaast volgde ik de Pastoraal Psychologische Leergang in Utrecht. Tijdens de studies kreeg ik een parttime aanstelling bij de Nederlandse Protestantenbond, afdeling Laren-Blaricum.

In die jaren volgde ik met een groep vrienden de opleiding voor mediator.
Verder deed ik bestuurlijk werk voor Eirene, een internationale organisatie voor vredes- en ontwikkelingswerk. Ook was ik werkzaam in kerkelijk werk voor de Nederlandse Doopsgezinden.

In de HPA-tijd had ik contact opgenomen met Prof. Verdonk, voor meer theologische achtergrondinformatie voor onze onderwijskundig vernieuwingsplannen.  Hij heeft mij kennis laten maken met de theologen van Hervormde huize, die allen een relatie hadden met de
theologie van Karl Barth. Kort nadat hij was benoemd als hoogleraar in Utrecht is hij plotseling overleden. Dat was een ramp.

Na een aantal jaren kwam ik in contact met Prof. Dr. Siebren Miedema, hoogleraar christelijk onderwijs aan de VU. Met hem heb ik een paar jaar gewerkt aan een proefschrift: ‘zin en onzin van het christelijk onderwijs’. Voor het theologische en filosofische deel werd ik begeleid door
prof. dr. Auke de Jong. Hij heeft mij verder ingeleid in de theologie van Karl Barth, die veel hervormde theologen heeft beïnvloed, maar ook in de filosofie van Emmanuel Levinas.
Toen hij ziek werd en met vervroegd pensioen ging wilde Miedema niet verder. Hij kon zich niet vinden in de theologische ondersteuning van deze studie. Einde samenwerking.

Veel later ben ik met een nieuw onderwerp ‘Polair denken’ naar Brussel getogen. Daar heb ik
een aantal jaren gestudeerd onder leiding van Jurjen Wiersma. Toen hij 70 werd mocht hij geen promotiebegeleidingen meer doen.
Ik had ondertussen het manuscript laten lezen aan Prof. Dr. Cees den Heyer en Prof. Dr. Auke de Jong. Zij beiden adviseerden mij het boek in deze vorm uit te geven. Met de opvolger van Wiersma, Prof. Dr. J. Temmerman, heb ik een lang en heel goed gesprek gehad over polariteit. Hij zei dat ik zijn denken had veranderd. Toen ik hem vroeg hoe wij nu verder zouden gaan, antwoordde hij: wij gaan niet verder. U moet het boek uitgeven.
In 2015 is het boek Weg van het midden uitgekomen.

 

Polaire preek

Op 29 september 2017 publiceerde ik een polaire preek over de gezusters Martha en Maria.

Kitchen Prayer

O Lord of pots and pans and tins
Since I’ve no time to be
A saint by doing lovely things                       
Or watching late with Thee
Or dreaming in the dawn light
Or storming heaven’s gates
Make me a saint by getting meals
And washing up the plates.
Although I must have Marta’s hands
I have a Mary mind
And when I black the boots and shoes
They sandels, Lord,I find
I think of how they trod the earth
what time I scrub the floor
Accept this meditation Lord
I haven’t time for more.

Lucas 10: 38 – 42.

Maar de Heer antwoordde en zei tot haar: Martha, Martha, je maakt je bezorgd en druk over vele dingen, maar weinige zijn nodig of slechts één; want Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat van haar niet zal worden weggenomen.

In ons verhaal bezoekt Jezus het huis van de zusters Martha en Maria.
In mijn denken vormen de gezusters Martha en Maria samen een polariteit.
Zij zijn twee verschillende vrouwen en daardoor niet tot elkaar te herleiden zelfstandige polen, personen. Deze personen kunnen u en ik zijn. De verhouding die beide polen, vrouwen tot elkaar hebben is, omdat zij tegengesteld aan elkaar zijn, voor mij ook com-plementair. Zij zijn in mijn denken geen concurrenten van elkaar, en dus niet elkaars bestrijders, maar zij vullen elkaar aan. Aanvullen houdt vooral  in dat zij elkaar nodig hebben.
Onze tekst.
Martha en Maria zijn twee zusters, betekent tweeheid, polariteit.
Martha, aramees voor vrouw des huizes, meesteres, woonde te Bethanië met vader Lazarus en zuster Maria.
Maria komt van het hebreeuwse Mirjam, betekenis is onduidelijk.
Zij lijken mij geen tweelingen, dus de één zal ouder zijn geweest dan de ander en zij hebben duidelijk twee verschillende karakters en rollen.
In huis kunnen ze het goed met elkaar vinden lijkt mij zo, misschien omdat zij samen met hun vader Lazarus leven. We weten ook niet of zij beiden weduwen zijn of niet.
Hun beider verschil wordt duidelijk op het moment dat er bezoek komt.
Jezus doet hun huis aan, omdat hij door Martha, ik denk als oudste, wordt uitgenodigd in hun huis.
Martha gaat meteen aan het werk om voor de gasten te zorgen, om de gasten van materie te voorzien. Jezus komt niet alleen, er komen minstens een twaalftal mensen mee.
Je bent gastvrouw, dus gastvrij en dan doe je dat, nietwaar!
Zij denkt dat haar zuster Maria haar wel zal helpen, maar die gaat meteen bij Jezus zitten, die het woord voert.
Ook een beetje apart van Jezus, nauwelijks binnen en meteen het woord nemen. Getuigt van weinig empathie, van weinig invoelingsvermogen.
Hij kon toch ook vragen, komt het nu uit dat ik met de groep ga praten, of heb je hulp nodig, Martha?
Je kunt toch wel even wachten tot de koffie er is, maar nee hoor, meteen het woord gaan voeren.
Misschien waren er wel meer mensen in hun huis die Jezus verwachtten, maar dat staat er niet.
Het is het vaste clubje mensen, discipelen en misschien nog een paar anderen, dat onderweg was. (Terwijl zij op reis waren).
Kortom, een huis vol mensen voor wie Martha wil zorgen.
Dan wordt het Martha te veel en richt zich tot Jezus en niet tot haar zuster. Sympathiek, omdat ze haar zuster niet in verlegenheid wil brengen? Ik weet het niet.
Ze zou Jezus hebben kunnen vragen, of hij even kan wachten totdat zij voor alle mensen heeft gezorgd of dat Maria haar even kan helpen. Ze had al zo vaak gewenkt naar Maria, maar zij reageerde maar niet.
Nee, zij werkt op zijn gemoed en stelt van daaruit een vraag: doet het u niets dat mijn zuster mij alleen laat werken? Zij kan toch wel even helpen, dan hebben we eerder iets te eten en te drinken. Zij doet een beroep op zijn empathisch, invoelend vermogen.
Het klinkt niet alleen als een beklag, het is het ook. Het lijkt wel of ze beiden in verlegenheid wil brengen.
Is het een kreet van de oudste van de twee zussen, die de jongste ‘tot de orde’ wil roepen en daarvoor de hulp van Jezus nodig heeft? Dit lijkt mij geen gedrag van een oudste zus. Anderzijds is het wel vaak de oudste die het werk doet.
Denk maar aan uzelf, was u de jongste of de oudste? Dat maakte wel verschil.
Moet Jezus nu gaan bepalen wat Maria moet gaan doen?
Martha roept de hulp in van iemand met gezag, omdat het haar zelf niet lukt haar zuster te bewegen tot medewerking.
Er is hier sprake van een polaire situatie, die Martha wil doorbreken door Maria aan haar gelijk te maken. Maria moet doen wat Martha doet, maar zo zit de wereld en zeker de polariteit niet in elkaar. Zo kan zij zich niet opstellen, want dan zou de polariteit uit dit verhaal worden genomen. Zo is de men ook niet geschapen. Wel als een Gegenüber aan elkaar, complementair. Gegenüber betekent dan: elkaar aankijkend, dus naar elkaar toe, op gelijke hoogte, dus gelijkwaardig en niet achter elkaar staand.
En dan geeft Jezus het geheel onverwachte antwoord: Martha, Martha, kom er toch bij zitten.
Daarmee oordeelt hij niet, omdat het hem niet gaat om goed of om slecht.
Hij is mild en niet vervelend tegen Martha; hij wijst haar ook niet terecht.
Twee maal noemt hij haar naam, dat duidt op iets belangrijks dat er gezegd wordt.
Hij bedoelt te zeggen: maak je geen zorgen over het materiële, kies voor het geestelijke voedsel.Materie, materieel voedsel, is tijdelijk voedsel, dat voorbijgaat, terwijl geestelijk voedsel je bijblijft, je hele leven lang.
Anders gezegd, je leeft van en uit het geestelijke voedsel.
Waarom dit gedeelte uitgekozen?
Allereerst om de polariteit in dit verhaal.
Het gaat om een polaire wijze van zijn.
Het gaat om twee tegengestelde werkwoorden: dienen (diakonos) en horen (akouoo).
Zij horen bij elkaar en kunnen niet los van elkaar worden gezien.
Anders gezegd, zij vullen elkaar aan.
Deze werkwoorden worden hier vertegenwoordigd door twee vrouwen, Martha en Maria.
Martha was bezig met dienen, een dienst bewijzen, bediening, dienstbetoon: zij was de gastvrouw: diakonia. Als je mensen uitnodigt, dan zorg je voor hen, in materiële zin.
Maria was bezig met horen, begrijpen, verstaan, gehoorzamen: zij was een vrouwelijke leerling: èkouoo .
Het gaat hier dus om de tegenstellingen: Martha – Maria; (be)dienen – horen; actief – passief.
Het zijn woorden, die ik, omdat ze tegengesteld zijn aan elkaar, polair noem.
Met deze woorden zou ik ook onszelf kunnen invullen: u en ik.
Immers, u en ik zijn ook polaire wezens en dragen deze beide aspecten in ons: soms zijn we dienend bezig, een andere keer horend, luisterend.
Zo zijn wij geschapen. Leg Genesis 1 er nog maar eens naast: alles in een tweeheid.
Wat heel belangrijk bij het denken vanuit polariteit, is het maken van een keuze.
Hier is de vraag kiezen voor Martha of voor Maria.
Je kunt niet voor beiden kiezen.
Polair denken kiest vanuit de ander.
Dat lijkt hier een moeilijke opgave te zijn, maar vanuit Bijbels perspectief en vanuit het denken waar Jezus zich mee bezig houdt, is die keuze niet moeilijk, omdat het in dit verhaal gaat om het kiezen voor de materie of voor het geestelijke.
Maar je kunt het ook anders formuleren, kiezen voor de mens (materie) of kiezen voor (het woord/het koninkrijk van) God (geestelijk).
Dat is voor Jezus geen vraag meer.
Jezus geeft dat in dit gedeelte aan met een andere tegenstelling: die van het veletegenover het ene. (Martha, je maakt je bezorgd en druk over vele dingen, maar weinige zijn nodig of slechts dat ene). Met dat ene wordt God bedoeld. God wordt in Deut. 6 Eén genoemd, een ondeelbaar getal. God (en Zijn Koninkrijk) is een eenheid, die niet te delen is, dus niet polair. Dit in tegenstelling tot het aardse. Het aardse vertegenwoordigt het vele, het leven in de polariteit, het leven met materie.
Het ene vertegenwoordigt dus God, de Ene, en dat betekent kiezen voor het geestelijke in je leven. Daarbij gaat het om de vraag naar de zin van ons bestaan, van ons leven in en met polariteit.
Dit verhaal is dus ook ons verhaal.
Het is een tweedeling, een polariteit in onszelf!
Wij leven immers met onze Maria en Martha, als twee polaire kenmerken van ons bestaan?
De ene keer willen we dienen, de andere keer luisteren.
Het gaat daarbij niet om goed of slecht. Niet om te stigmatiseren, (zie de tekst van Pannekoek) omdat we toch niet beide dingen tegelijk kunnen doen.
Het ene is niet beter dan het andere. Beide zijn gelijkwaardig aan elkaar.
Alleen, het komt op het moment aan dat we moeten gaan kiezen.
Want een keus zullen we moeten maken en dan komt het er op aan: waar kiest u voor?
Het huis moet toch ook aan kant?
De mensen moeten toch ook, en vult u zelf maar in.
Ik zei eens tegen een vriendin, die zich m.i. teveel bezig hield met zogenaamde materiële dingen, zoals het poetsen van het huis, wat eten we vanavond, enz.: per dag moet je een uur lezen. Een uur iets anders doen dan je dacht te moeten doen. Een uur tijd voor jezelf. Dat kon natuurlijk niet, want daar kwam ze niet aan toe. Bovendien dan zou het een troep worden.
Dan komt de vraag: wie maken die troep?
Is daar één iemand voor verantwoordelijk? Zijn daar patronen voor? Ook voor het opruimen ervan?
Neem een boek ter hand en luister naar de schrijver die iets tegen u zegt, omdat u dan in gesprek gaat met een schrijver, met iemand anders.
Jezus zei het als volgt: laat de materie nu even de materie en ga een gesprek aan met iemand: een ander, een boek, een gedicht of luister naar muziek, bezoek een museum.
Kijk, dat zijn onze keuzes voor Martha of Maria.
Eén ding is zeker, we kunnen niet altijd Martha zijn, maar ook niet altijd Maria zijn.
We zullen moeten gaan zoeken naar een evenwicht in ons leven.
Nu eens Martha, dan weer Maria.
Maar niet Martha zijn omdat de omgeving vindt dat ik zo nodig Martha moet zijn.
Martha of Maria ben je van binnen uit, kan niet worden opgelegd, zoals ons verhaal ons laat zien.
Als dat zo zou zijn, dan is er geen polariteit meer en is er geen keuze meer.
Kiezen is kiezen op basis van de ander, omdat dan de polariteit in stand blijft en daarmee het evenwicht in uzelf, maar ook met de Ander/ander.

Ook heb ik en overdenking gehouden over Genesis 2: 18: het is niet goed dat de mens alleen is.

Genesis 2: 18:
het is niet goed dat de mens alleen is
Ik zal een helpend wezen maken dat tegenover hem is.

Vanuit polair denken bestaat de enkele mens niet.
Anders gezegd, u en ik bestaan op zich niet. Ik besta dankzij uw aanwezigheid.U maakt mij bewust van mijzelf: wie ben ik, hoe kom ik over, hoe sta ik in de wereld. Dat lukt mij alleen niet. Soms denk ik, ik bekijk mijzelf in een spiegel. Ik zie hoe ik materieel in de wereld sta en dan ook nog maar een heel klein gedeelte van mijzelf. Wie ik werkelijk ben/overkom, dat zie ik niet. Dat is de geestelijke inhoud van mijn persoon die ik niet zie.
Kort gezegd, ik heb de ander nodig voor mijn bestaan.

Enkele centrale woorden die onze aandacht vragen in dit bijbelgedeelte:
Het woordje niet (lo in het Hebreeuws)
Het woordje alleen (levado)
De woorden een helpend iemand (ezer)
En het woordje tegenover (keneghdo)

Allereerst is op te merken dat in dit vers voor het eerst het woordje ‘niet’ (lo) voor-komt. We zijn dat met bettrekking tot de schepping nog niet tegengekomen. In het scheppingsverhaal van Genesis 1 wordt de schepping steeds afgesloten met het woordje goed: ‘God zag dat het goed (tov) was’. De schepping als geheel werd afgesloten met de woorden zeer goed (tov meod).
De schepping is dus op zich goed. Om dat zo te laten blijven, moeten we haar wel onderhouden.
Vanuit het scheppingsverhaal in Gen. 1, waar de mens mannelijk en vrouwelijk werd geschapen en niet zoals zo vaak is vertaald, man en vrouw, komen we in dit gedeelte op grond van een ‘evaluatie’, tot de conclusie dat het niet goed is dat de mens alleen is. Er wordt een tweede mens, (= de andere mens) geschapen.
Dit past ook weer in het ‘patroon’ van de polariteit vanuit Genesis 1: de ene pool, duisternis of water, bestaat dankzij het bestaan van de tegenpool, het licht of het land. Door de uitspraak het is niet goed dat de mens alleen is, leert een mens te onderscheiden, meervoudig te denken, te ervaren wat het betekent in een relatie te staan.
Dit is het doorslaggevende punt: de mens is geen mens op zich, alleenstaand, maar staat altijd in relatie (Buber), complementair voeg ik er aan toe.
Dat complementaire deel ontbrak nog, vandaar dat de vrouw wordt gezien als het aanvullende deel van de man. Intieme vreemden; volstrekt gelijk en toch anders, zoals de theoloog Dingemans ons laat weten.

Die tegenpool zorgt voor tegenspraak, zorgt voor de dialoog. Dat is belangrijk voor de polaire mens, die met de ander wil communiceren. De ander is belangrijk voor de wijze van relatievorming, van communicatie.
Bijbels gesproken is het de Ander (met hoofdletter) die de dialoog met de mens is begonnen (Genesis 3: 9: Adam, waar ben je?). Ik heb hieruit de conclusie getrokken – voor polair denken – dat het leven begint met een vraag, die de ander mij stelt.
Ik kan niet anders dan daarop te reageren, er ontstaat beweging tussen ons, er ont-staat een dialoog. In zijn vraagstelling geeft de mens zich bloot, toont hij zijn kwets-baarheid.
In de Bijbel is het God die de eerste vraag stelt aan de mens: Adam waar ben je?
Dit bij name roepen betekent dat de ander mij wil ontvangen. Met zijn vraag doet hij een beroep op mij. Zijn oproep is niet een loze kreet, in zijn vraag ligt een opdracht, ligt een verandering. Zijn oproep raakt mij in mijn identiteit, in mijn zijn.
Het noemen van mijn naam is niet alleen verbonden met mij als medemens, maar staat in een veel breder verband en heeft daardoor ook te maken met die Ander (met hoofdletter). Die Ander die zichzelf noemt, ik ben, maar er ook is voor jou (Exodus 3), als eenheid van ik-zijn en sociaal-zijn.
De ander heeft mij nodig en roept mij. Ik kan niet om hem en zijn vraag heen. Zijn spreken is aanspreken en komt bij mij aan als een imperatief, een oproep. Ik kan niet anders dan er op ingaan.
De eerste (op)roep luidde: ´Adam, waar ben je?´ Daarmee wordt al contact gelegd. Hij stelt een vraag en toont daarin zijn zwakheid, zijn onzekerheid, zijn kwets-baarheid, kortom zijn afhankelijkheid. Waarom zo zwaar? Je stelt iets aan de orde waarop je geen antwoord weet.

Door die manier van aanspreken, Mens waar ben je? (door)kruist de Ander/ander mijn pad. Zijn vraag is niet alleen: wáár bevind jij je?, maar ook, waar stá je voor? (die van je persoonlijke verantwoordelijkheid). Maar ook heeft zij een empatisch aspect, namelijk dat naar het welbevinden van de ander: hoe gáát het eigenlijk met je?, zit je wel goed in je vel? Het is dus ook een vraag die met zorg is omringd.
Die ander vraagt om bijstand, vraagt mij er-te-willen-zijn. Bijstand verlenen betekent bijbels gesproken mens-zijn-met-en-voor-de-medemens en niet voor zichzelf. Zij is onbaatzuchtig en niet gericht op een wederdienst. Vandaar dat die ander van levens-belang is.

Die ander wordt tegenover (keneghdo) de mens geschapen. Zij staan zo tegenover elkaar dat ze elkaar in de ogen kunnen kijken. Op gelijke hoogte dus! Geen superio-riteit of inferioriteit, maar nevenschikkend, gelijkwaardig. De helper is niet onderge-schikt aan wie wordt geholpen, maar staat hem als een zelfstandig iemand bij. Die ander is iemand die aan het bijbelse mens-zijn beantwoordt, er-te-zijn-voor-de-ander, gelijkwaardig. Even voor de duidelijkheid, die ander is een hulp en niet een ‘hulpje’.
Die hulp is nodig, want die werd gemist bij het werk (van adam).

De theoloog Küng ziet de mens als een ambivalent zijnde. Hij gebruikt niet het woord polair. Hij interpreteert de tweeheid in de tekst: de mens werd geschapen mannelijk en vrouwelijk, met zijn geest en lichaam, zijn sterke en zwakke kanten, geluk en ongeluk, heil en onheil, zin en onzin. Maar dat is voor mij polariteit, omdat de mens als een contrasterende tweeheid werd geschapen, als twee tegen-over-elkaar-gestel-den, elkaar aankijkend, van (aan)gezicht tot (aan)gezicht en niet achter elkaar staand.

In onze tijd zou dat betekenen: er-te-zijn voor de zwakke in onze maatschappij, die afhankelijk is van de voedselbank, omdat de participatiemaatschappij hem daar naar toe leidt; voor degene die in schulden is geraakt en geen weg meer ziet om er uit te komen. Maar ook voor de vluchteling, die afhankelijk is van anderen, omdat hij geen thuis meer heeft. Het zijn mensen die deze vragen stellen. Zij zullen als mensen behandeld moeten worden en niet als een nummer of een naamloos iemand.

Een naam is niet alleen een reactie op de roep van het kind dat geboren is. Een naam is een onderscheiding: dit ben ik! Je naam heb je van iemand anders gekre-gen (je was dus niet alleen). Met die naam sta je voortaan in de wereld en word je aangesproken, je naam betekent in relatie staan. Door het noemen van je naam ben je aanwezig, ook al ben je dat niet lijfelijk. Je naam houdt in dat je aanspreekbaar bent.

De schepping werd afgesloten met de woorden zeer goed. Toch werd een correctie aangebracht. De polariteit moest worden doorgezet: het was niet goed dat bij de schepping van de mens wel polair werd gedacht, maar dat het toch anders zou kunnen. Vandaar dat het goed is te stellen dat het niet goed is dat de mens alleen is. Hij is en blijft als aards wezen aangewezen op de andere mens, of hij wil of niet!
Of om het met de rijdende rechter te zeggen: daar zult u het mee moeten doen.

 

 
 
Harry Schram
 
Contact